Juf Lydia
 
(Advertentie)
(Advertentie)

Zomer

Hoge duinen

Stappen naar beneden

Ik ren naar zee

Zwemmen

 

Een elfje is een gedicht dat bestaat uit elf woorden. Deze elf woorden staan op vijf regels.

 

Opdracht:

Schrijf een elfje. Je mag zelf bedenken waar het over gaat.

  • Bedenk een onderwerp waarover je een elfje wilt schrijven.
  • Schrijf alles op waar je aan denkt bij dit onderwerp. Gebruik steekwoorden.
  • Begin met regel 1. Voor deze regel kies je één woord: een kleur of eigenschap (lief, hard, zacht, enzovoort).
  • Schrijf regel 2. Beschrijf in twee woorden over wat of wie het elfje gaat.
  • Schrijf regel 3. Deze regel bestaat uit drie woorden. Schrijf minstens één werkwoord op deze regel.
  • Schrijf regel 4: Begin deze regel met 'ik'. Schrijf in deze regel over jezelf in verband met het voorwerp of de persoon.
  • Schrijf regel 5. Sluit af met één krachtig woord dat alle vorige regels 'samenvat'.
  • Lees je elfje een paar keer over. Heb je de beste woorden gebruikt of weet je mooiere, betere woorden? Verbeter je elfje tot je helemaal tevreden bent.
    Typ het over en print het uit.
  • Maak kleine tekeningetjes om je elfje die te maken hebben met het onderwerp van en de woorden in je elfje.

 

O, was ik maar onze kat

Lekker opgekruld slapen op een kussen

Hij hoeft niet op de fiets door een plensbui

O, was ik toch maar onze kat

Nooit in een stinkend regenpak

En nooit naar school

O, was ik toch maar onze kat

Lekker opgekruld slapen op een kussen

 

Het gedicht hierboven is een rondeel. Een rondeel bestaat uit 8 regels. Twee van deze regels komen een aantal keer terug. Regel 1, 4 en 7 zijn gelijk. Regel 2 en regel 8 zijn ook gelijk aan elkaar.

 

Opdracht:

Schrijf een rondeel:

  • Bedenk een onderwerp: een gewone gebeurtenis die regelmatig in jouw leven voorkomt.
  • Schrijf alles op waar je aan denkt bij deze gebeurtenis. Gebruik korte zinnen.
  • Schrijf de nummers 1 t/m 8 onder elkaar.
  • Schrijf eerst de regels 1, 4 en 7. Dit is de zin die het vaakst voorkomt in het gedicht. Kies hiervoor de zin die jij het belangrijkst vindt.
    Je mag wat woorden in die zin veranderen als je dat wilt.
  • Schrijf nu de regels 2 en 8. Let op: Dit is ook de eindregel, dus die moet pakkend en krachtig zijn. Kies hiervoor een zin die hoort bij de vorige regels.
    Ook hierin mag je kleine veranderingen aanbrengen.
  • Op regel 3, 5 en 6 schrijf je drie verschillende zinnen (of delen van zinnen) die allemaal iets met je onderwerp te maken hebben. Dat kunnen zinnetjes van je kladblaadje zijn, maar misschien bedenk je al doende wel nieuwe stukjes tekst die je beter vindt passen bij wat er al staat.
    Maak de zinnetjes niet te lang.
  • Lees je gedicht over. Verbeter dingen waarover je nog niet tevreden bent. Als je helemaal tevreden bent, typ je het gedicht over en print je het uit.
  • Maak er een passende tekening bij.

 

(Mila de Wispelaere, 11 jaar)

Dikke huisjesslak

ook jij beklimt de Fuji

- maar langzaam, langzaam

Issa (1763-1828)

 

Een haiku is een, van oorsprong Japans, natuurgedicht. Een haiku bestaat uit 17 lettergrepen die verdeeld zijn over drie dichtregels:

Regel 1: vijf lettergrepen

Regel 2: zeven lettergrepen

Regel 3: vijf lettergrepen

Een haiku gaat over de natuur (het is immers een natuurgedicht). Het gaat over iets dat je ziet en/of over het gevoel dat je daarbij krijgt.

 

Opdracht:

Schrijf een haiku over jouw lievelingsdier.

  • Bedenk eerst over welk dier jouw haiku moet gaan.
  • Maak een woordspin over dit dier. Beschrijf bewegingen, gedrag, uiterlijk, geur, enzovoort. Gebruik steekwoorden.
  • Zet op een kladblaadje, in drie regels, streepjes waar je de lettergrepen op kunt schrijven.
  • Begin met regel 1. Hierin noem je het dier. Doe dit in vijf letttergrepen.
  • Schrijf regel 2 in zeven lettergrepen en regel 3 in vijf lettergrepen. Omschrijf iets wat je kunt zien aan/van jouw dier of wat jij voelt. Gebruik de woorden uit je woordspin.
  • Lees je haiku een paar keer hardop door. Heb je precies genoeg lettergrepen? Klinkt het mooi? Vertelt het wat je wilt vertellen? Als je helemaal tevreden bent, typ je het over.
  • Zoek of maak een mooie foto van je dier en plaats deze achter je gedicht.

 


Vlinder

Een vlinder fladdert

vrolijk naar de mooiste bloem

en vliegt weer verder

Geen haiku (Ilja Leonard Pfeijffer, 1968)

Was ik dat kind?

 

De tijd verdwijnt

Ik zie een huis

Er speelt een kind

Dat kind ben ik

 

Ik zie een huis

Een spelend kind

Dat kind ben ik

Er brandt een vuur

 

Een spelend kind

Een tafelkleed

Er brandt een vuur

De haard is aan

 

Een tafelkleed

Een olielamp

De haard is aan

De moeder leest

 

Een olielamp

De vader slaapt

De moeder leest

Er tikt een klok

 

De vader slaapt

Er speelt een kind

Er tikt een klok

De tijd verdwijnt

Bette Westera (1958)

 

Heb je al gemerkt dat er veel herhaling in dit gedicht voorkomt? Van iedere strofe worden de tweede en de vierde regel herhaalt als eerste en derde regel in de volgende strofe. De laatste strofe is extra bijzonder: de tweede regel is gelijk aan de derde regel van de eerste strofe en de laatste regel is gelijk aan de eerste regel van de eerste strofe.

Zo'n gedicht heet een pantoum.

 

Opdracht:

Schrijf een pantoum over een speciale herinnering, over een bijzondere gebeurtenis die jij hebt meegemaakt.

  • Denk terug aan deze gebeurtenis; welke woorden horen erbij?
    Verzamel woorden van dingen die je toen zag, hoorde, voelde, rook of proefde.
    Schrijf deze woorden op een kladblaadje.
  • Schrijf op een ander kladblaadje regelnummers voor de vijf strofen die je gaat schrijven, zodat je in één oogopslag kunt zien welke zinnen je moet herhalen (1, 2, 3, 4 - 2, 5, 4, 6 - 5, 7, 6, 8 - 7, 9, 8, 10 - 9, 3, 10, 1).
  • Nu begint het puzzelen: Schrijf korte zinnen met jouw verzamelde woorden in je pantoum.
    Doe dit met potlood, zodat je de volgorde in je pantoum eenvoudig kunt aanpassen/verbeteren.
  • Helemaal tevreden? Typ je pantoum over, print het uit en maak er een mooie tekening bij.
Extra opdracht: Schrijf een 'gebruiksaanwijzinggedicht'

Beroemd

 

Hoe word je beroemd?

Je koopt een pet en een pluim.

De pet zet je op

en de pluim hang je

aan een bal.

 

Koord aan de bal

en via een katrol

naar je hand.

 

O ja, je koopt ook nog

een bootjescarrousel.

 

Je laat kinderen in de bootjes

ronddraaien en jij trekt

aan het koord, op en neer.

Je laat de bal dansen en de pluim,

en de kinderen gillen en gieren

altijd en eeuwig.

 

Wie de pluim lostrekt

mag nog een keer in de boot.

 

Dat doe je achtenveertig jaar.

En dan ga je dood.

Dan komt je foto in de krant.

Remco Ekkers

 

Dit gedicht gaat over een man die echt heeft bestaan! Remco Ekkers schreef het n.a.v. een krantenartikel.

 

Opdracht:

Dit is een gedicht als een gebruiksaanwijzing; het geeft in stappen aan hoe je beroemd wordt.

Jij gaat ook zo'n gedicht schrijven.

Kies een beroemd persoon die jij bewondert. Hoe is hij/zij beroemd geworden? Zoek informatie op over deze persoon en probeer zoveel mogelijk stappen naar beroemdheid te noteren. Gebruik deze stappen voor het schrijven van je gedicht.

Natuurlijk plaats je een foto van jouw beroemdheid bij je gedicht!

Extra opdracht: Schrijf een 'Ik-ben-van... gedicht'

Ik ben van

Een dorpje

In de Achterhoekse natuur

Van fietsen

Van creatief

Van hockey

Van denken en dan doen

Van muziek luisteren

Van muziek maken

Van vrienden

Van broer en zus

Ik ben dat alles en nog meer

(Henk Steen, 13 jaar)

 

Een 'Ik-ben-van... gedicht' gaat echt helemaal over jou! Alles wat bij jou hoort (of waar jij bij hoort) mag in het gedicht. Een 'Ik-ben-van... gedicht' bestaat uit korte zinnen en losse woorden. Het begint met "Ik ben van ..." Daarna volgen regels die beginnen met "van" of "en". Het gedicht eindigt met een slotzin.

 

Opdracht:

Schrijf een 'Ik-ben-van... gedicht'.

  • Begin met een brainstorm: Bedenk zoveel mogelijk dingen die met jou te maken hebben, denk zo breed mogelijk. Je kunt hiervoor de windtunnel gebruiken, als je dat prettig vindt.
  • Begin je gedicht met "Ik ben van"
  • Schrijf in de tweede regel de associatie die het meest met jou te maken heeft.
  • Schrijf daaronder ongeveer 10 dingen onder elkaar. Begin je regels met "van" of "en". Maak de regels niet te lang.
  • Eindig met een spannende slotregel. Bijvoorbeeld: "ik ben dat alles en nog meer" of "ik ben dat alles en niets meer". Leuker is om zelf een spannende slotregel te bedenken!
  • Lees je gedicht een paar keer over. Staan de beste woorden in je gedicht? Is het compleet? Staat er niet teveel? Staan de regels in de juiste volgorde? Als je helemaal tevreden bent, print je je gedicht uit.
  • Teken er een collage achter/omheen met alle dingen die in je gedicht voorkomen.

 

Op deze pagina vind je extra informatie en extra opdrachten bij het Selfie-project.

Je moet minstens één extra opdracht uit de linkerkolom (lichtgroene boxen) doen.

Je mag meer extra opdrachten doen. Daarmee wordt je dichtbundel voller en gevarieerder, dus leuker en mooier!

Je mag, als je een opdracht uit de linkerkolom hebt gedaan, vrije opdrachten uit de middelste kolom (donkergroene boxen) doen.

Je mag natuurlijk meerdere opdrachten uit de linker kolom doen.

Je moet iets kiezen wat je leuk vindt en waarvan je iets kunt leren.

Je moet afmaken waaraan je bent begonnen. Dat noemen we doorzetten ;-)

Je moet je werk mooi en netjes afwerken.

Je mag er iets grappigs van maken.

In de boxen hieronder zie je voorbeelden van vormgedichten.

 

Bij een vormgedicht is de vorm van het gedicht net zo belangrijk als de inhoud.

 

Opdracht:

Schrijf een vormgedicht.

  • Bedenk waar jouw gedicht over moet gaan. Dit moet iets zijn dat met jou te maken heeft; het project heet immers 'Selfie poëzie'. 
  • Teken de vorm heel dun met potlood.
    Maak het niet te moeilijk; kies voor een eenvoudige vorm. Dat is het mooist.
  • Bedenk woorden die te maken hebben met jouw onderwerp, maak een woordspin met deze woorden.
  • Kies de mooiste en de beste woorden uit. Schrijf deze met pen of stift op de potloodlijnen die je hebt getekend.
  • Als je klaar bent, gum je de potloodlijnen uit. Klaar is je vormgedicht!
  • Niet helemaal tevreden? Begin dan gewoon overnieuw en verbeter je werk, net zolang tot je wel tevreden bent.

 

Drup

drup, drip,

drupperdedrip.

Het houdt niet op:

regen, regen.

Drup, drip.


Zie je de vorm van dit gedicht? Het gedicht is geschreven in de vorm van een regendruppel!

Il pleut (Guillaume Apolliniaire, 1880-1918)
Il pleut = Het regent
Zeppelin (Paul van Ostaijen, 1896-1928)
Giraffe (Jan de Bas, 1964)
Extra opdracht: Maak een visueel gedicht

Een visueel gedicht is meestal een nonsensgedicht. In het gedicht worden klanken op papier gezet door woorden en tekens op een bepaalde manier in een bepaalde grootte en in een bepaalde volgorde achter/onder elkaar te zetten. De vorm van het gedicht geeft betekenis aan het gedicht.

 

In de boxen hieronder zie je voorbeelden van visuele gedichten.

 

Opdracht:

Maak een visueel gedicht

  • Bedenk waarover jouw visuele gedicht moet gaan; kies voor een gevoel dat je vaak hebt of een gebeurtenis die je hebt meegemaakt.
  • Associeer welke geluiden, kleuren en vormen bij de gebeurtenis of het gevoel horen. Schrijf deze op een kladblaadje.
  • Pak een nieuw kladblaadje en 'schets' je woorden en tekens. Doe dit een aantal keer op verschillende manieren.
    Je mag met allerlei materialen werken: potlood, pen, stiften, stempels, knipsels, enzovoort.
    Gebruik je creativiteit!
  • Ga hiermee door tot je tevreden bent over het resultaat.
  • Pak een A4-tje. Werk je visuele gedicht hierop netjes uit.
Trein (Anthony Kok, 1882-1969)
Boem paukeslag (Paul van Ostaijen, 1896-1928)
Eb en vloed (Robert Joseph, 1943-2003)
Rivier/Zandbank (Seiichi Niikuni, 1925-1977)

Als je op de afbeelding klikt, kom je op een website met meer informatie over dit gedicht.

Ben jij een eigen wijze dichter?

Wil je gewoon lekker zelf aan de slag op jouw manier?

Dat mag!

 

Er zijn natuurlijk wel een paar regels:

  • Je gedicht moet over jou gaan, of over iets dat echt met jou te maken heeft.
  • Het moet een echt gedicht zijn.
  • Je moet jezelf uitdagen tijdens het schrijven; je moet er iets van leren.
  • Natuurlijk moet je het mooi en netjes afwerken.

 

Misschien vind je in de boxen hieronder mooie inspiratie voor jouw eigen gedicht.

 

Veel plezier en succes!

Maak er iets moois van!

Nannie Kuiper
Lieke van der Vorst
Edward van de Vendel
Mieke Driessen
Jan 't Lam
Beerd van Stokkum
De mus (Jan Hanlo, 1912-1969)

Klik op de afbeelding als je dit gedicht voorgedragen wilt zien en horen worden.
(Advertentie)
(Advertentie)
Schrijfgeheimen (Rian Visser): Moet een gedicht rijmen?

In een gedicht is het belangrijk hoe woorden klinken. Beginrijm zorgt voor interessante klanken in een gedicht. Het moeilijke woord voor beginrijm is 'alliteratie'.

Het modderige monster

kroop mopperend naar

het mooie kasteel van

de mollige koning.

Bij binnenrijm staan de rijmwoorden niet alleen aan het eind van een regel, maar verspreid door de hele zin.

 

Voorbeelden:

 

Groot, rood, boot.

Een grote rode boot.

Een plakseltje van woorden gaat varen in de sloot.


Als de woorden binnen zinnen rijmen,

Noem je dat het binnenrijm.

Rijmen dichters buiten zinnen binnen zinnen?

Heet dat ook weer binnenrijm.

Rijmen dichters buiten binnen zinnen?

Heb je alweer binnenrijm.

Pas als dichters buiten zinnen buiten zinnen rijmen

Of als dichters buiten zinnen rijmen,

Noem je dat geen binnenrijm.

Een gedicht hoeft niet te rijmen, maar het mag natuurlijk wel.

Als je het wel wilt laten rijmen, kun je gebruikmaken van een rijmschema. Een rijmschema is de volgorde van de rijmwoorden (eigenlijk: de rijmende zinnen).

Om rijmschema's makkelijk te kunnen noteren, gebruiken we letters. De eerste eindklank krijgt de letter a, de tweede de letter b, de derde de letter c. En zo verder, tot je alle eindklanken in het gedicht hebt gehad. Gelijke eindklanken krijgen dezelfde letter.

 

Ik ga voor geen geld

naar een voetbalveld!

Dit minigedichtje heeft rijmschema a a

 

Weet je wat ik nooit zou doen?

Ik ga voor geen geld,

nee, zelfs niet voor een miljoen

naar een voetbalveld.

Dit gedichtje heeft rijmschema a b a b

 

Rijmschema's hebben namen. Die hoef je natuurlijk helemaal niet te onthouden, maar het is wel leuk om te weten, omdat ze zelf haast als een gedicht klinken:

a a   gepaard rijm

a b c b   gebroken rijm

a b a b   gekruist rijm

a b b a   omarmend rijm

a b c a b c   verspringend rijm

a a a   slagrijm

Deze brainstormvorm heet 'de windtunnel' omdat je tegenover elkaar zit en één van de twee personen steeds maar moet doorpraten, als een soort wind of storm in de windtunnel.

De helper helpt de prater door, zodra deze stilvalt, de vraag te stellen waarop de prater antwoorden wil bedenken of door een hulpvraag te stellen waarop de prater gemakkelijker verder kan brainstormen.

 

Nodig: stopwatch, pen en papier

 

  • Ga tegenover elkaar zitten.
  • Spreek af wat de vraag is waarop zoveel mogelijk moet worden gebrainstormd. De helper schrijft deze vraag op het blaadje.
  • Spreek af hoe lang de brainstormer moet praten; kies voor 2 of 3 minuten (gevorderden: 5 minuten).
  • Zodra de helper de vraag heeft gesteld, moet de brainstormer aan één stuk door antwoorden noemen. Dit hoeven niet allemaal supergoede dingen te zijn; het gaat er om dat de brainstormer niet mag stilvallen.
    De helper schrijft alles op!
  • Als de brainstormer stilvalt, stelt de helper de vraag nog een keer. Als dit niet helpt, kan de helper een soortgelijke vraag stellen. Het gaat er om dat de helper de brainstormer dwingt om door te blijven praten.

 

Door deze werkvorm te gebruiken, dwing je je hersenen om andere paden te betreden. Na een tijdje heb je namelijk alle antwoorden die je gemakkelijk kunt bedenken genoemd en moet je tóch doorpraten. Door je te focussen op het doorpraten, ga je vanzelf dingen noemen die je eerder nog niet bewust had bedacht. Een deel van deze dingen zal onzin zijn, maar een deel zal verrassend goed en nuttig blijken!

Elke week een nieuw gedicht. Raad het ontbrekende woord.
Een tip, vraag, opmerking of gebroken link? Mail het me.